Een wandeling in de glazen straatjes

Als je het 2de arrondissement op een originele manier wilt leren kennen, in een 19de-eeuwse sfeer en zonder nat te worden als het regent, moet je een wandeling maken door de talrijke ongewone en mysterieuze passages.
De hertog van Orléans was de eerste die in 1786 de tuin van zijn paleis verkavelde om de huur op te strijken van de winkels die er zich vestigden.

In een Parijs zonder stoepen en zonder elektriciteit, was een betegelde passage tussen de winkels een echt toppunt van comfort. Door de glazen overkapping die in 1792 gebouwd werd, waren de winkels en cafés beschermd tegen het slijk en de regen, en het succes was enorm.

De speculanten volgden dat voorbeeld en vanaf 1870 werden talrijke nieuwe passages aangelegd. In die periode waren er ruim 130. Ze werden almaar hoger, ?mooier en moderner (gietijzer vervangt hout en het gas doet zijn intrede). Mensen verdringen er zich, maken er plezier en geven er geld uit. De eerste echte restaurants komen er, in de cafés zit men te dammen of domino te spelen en men trekt naar theaters, bals en absintkroegen. Een bonte menigte van burgers, dichters, theatermensen en arbeidsters. De idee maakt furore en in heel Europa komen er soortgelijke passages. Maar als er overal trottoirs komen, de oude wijken worden gesaneerd en de warenhuizen hun intrede doen, daalt de belangstelling voor de passages, die te donker en te smal worden bevonden. Gelukkig zijn ze nu in ere hersteld. Door de groeiende verkeersdrukte gaat de Parijzenaar weer te voet en de passages kennen hun tweede jeugd. Overigens zijn niet alle doorgangen winkelgalerijen. Sommige vormen gewoon een verrassende en mysterieuze verbinding tussen twee straten.

* Galerie Vivienne is toegankelijk langs de rue Vivienne (nr. 6), de rue des Petits-Champs (nr. 4) of de rue de la Banque (nr. 5). Metro: Bourse. Alle dagen open van 8 tot 19-30 u. Een juweel in zijn genre. Ze heeft opnieuw kleur gekregen, maar daarbij niets aan ouderwetse charme ingeboet. Moet je beslist zien, voor de mozaïekvloer met grote geometrische figuren. Winkels van topontwerpers als Jean-Paul Gaultier en Yuki Torii, maar daarnaast ook stijlvolle boetiekjes: bloemen, boeken, landkaarten en een theesalon.
Tot het Second Empire was dit de geliefde passage van de Parijzenaars, met zijn okerkleurige versiering en zijn mythologische verwijzingen (een mercuriusstaf bijvoorbeeld, maar er zijn er meer; zoeken maar … ). Vidocq woonde hier ooit op nr13 Als je de passage verlaat langs de rue de la Banque, kom je bij het gebouw waar de beroemde zeeman Antoine de Bougainville stierf, de man naar wie de beroemde plant genoemd is.
Je kruist ook de galerie Colbert, rustiger, vaak leeg zelfs, en eveneens in een nieuw kleedje gestoken. Mooie doorkijk op de rotonde en het beeldje van Venus. Langs de rue de la Banque bereik je de schattige place des Petits·Pères waar tijdens de Tweede Wereldoorlog het bureau voor joodse zaken was gevestigd, een trieste instelling van de regering van Vichy. Aan de andere kant de Notre-Dame-des-Victoires, een bijzondere kerk door haar versiering met zowat 36.000 ex-veto’s. Je vindt er een grafmonument voor Jean-Baptiste Lully en het graf van Jean Vassal, de laatste secretaris van Lodewijk XIV. Van buiten ziet ze er bescheiden uit, maar van binnen lijkt ze kolossaal. Voor geïnteresseerden is er aan de ingang een zeer volledig gidsje te koop (€ 3,80).

* Le passage Cholseul: loopt van de elegante voorgevel op nr. 23 van de rue Saint-Augustin tot het nr. 40 van de rue des Petits-Champs, waar ze beschermd wordt door een ijzeren hek. Metro: Quatre-Septembre. Alle dagen open van 7 tot 21 u. Doordringend beschreven door Céline (die er trouwens tijdens z’n kinderjaren woonde) in Mort à crédit. .. onder het pseudoniem van ‘passage des Berezinas’. Ze dateert van 1824 en is licht en actief. Boetiekjes zonder veel charme, kunstgaleries en restaurantjes voor de workaholics uit de buurt. Er zijn twee zijuitgangen, een in de bescheiden rue Delayrac, nabij de ingang van het théätre des Bouffes paristens (waar Jacques Offenbach ooit directeur was), en een ter hoogte van nr. 52, die uitkomt in de rue Sainte-Anne, met op de hoek hotel Baudelaire, waar de schrijvér verbleef in 1854. Op nr. 23 was uitgever Alphonse Lemerre gevestigd, bij wie Verlaine z’n eerste verzen publiceerde.

* Passage des Panoramas: 11, boulevard Montmartre, 75002. Metro: Grands-Boulevards. Deze passage dateert van 1800 en combineerde de burgerlijke sfeer van de houten galerijen van het Palais-Royal met de meer volkse sfeer van de boulevards. In 1817 was dit de eerste plek in Parijs met gasverlichting. Maar deze wirwar van straatjes heeft veel aan charme ingeboet en valt wat uit de toon met zijn fastfood tenten en zijn crêperies. Enkele postzegelwinkels bieden nog weerstand. De laatste mooie etablissementen zijn L’Arbre à Cannelle (vroeger café A la Caravane, het oude bord hangt er nog), dat zijn exotische en reisluchtige sfeer bewaard heeft, en ?Stern (op nr. 47), een van de oudste drukkers van de stad (sinds 1840). Prachtig houtsnijwerk en mooie vitrines. Er zijn tal van uitgangen: 11, bd Montmartre; 151, rue Montmartre; 6-8, rue Saint-Marc; rue Vivienne.

* Passage des Princes: tussen nrs. 97, 99 of 101 rue de Richelieu en nr. 5, bd des Italiens, 75002. M.: Richelieu-Drouot. Zondag gesloten. Na de restauratie heeft de jongste passage van Parijs (1860) zijn zwier van de 19de eeuw terug. Mooie vierkante tegels, glaskoepel met art-deco-elementen, okerkleurige tinten en een mooie rij lampen. Er is een grote speelgoedwinkel gevestigd.

* Tour de Jean·sans·Peur (toren van Jan zonder Vrees): 20, rue Étienne-Marcel. Metro: Étienne-Marcel. Een beetje weg van de passages. Boeiend bouwwerk uit de 13de eeuw, dat onlangs gerenoveerd werd. Deze toren en het hotel de Clisson  zijn de enige overblijfselen van het feodale Parijs. De toren werd gebouwd in 1470 op de muur van Philippe Auguste. In 1629 huisde hier het théàtre de l’ hotel de Bourgogne, in die tijd de concurrent van de toneelgroep van Molière. Nu is er een lagere school gevestigd. Bezoek mogelijk vanaf 5 personen en na afspraak (€ 5, met korting € 3), vrij toegankelijk op woensdag, zaterdag en zondag, en in de schoolvakanties alle dagen behalve maandag. Rondleiding op woensdag, zaterdag en zondag om 18 u (€ 8). Vooral de mooie trap is de moeite waard.
Via de rue Française kom je uit op de rue Tiquetonne en de aangename grotendeels autovrije wijk Montorgueil. Let op het bijzondere uithangbord op nr. 10: ‘L’Arbre à liège’ (de kurkboom).

* Passage du Grand-Cerf: Metro: Étienne-Marcel. Bereikbaar via de rue Dussoubs. Mooie, recentelijk gerestaureerde passage met mooie winkels van trendy ontwerpers en designers. Opgericht in 1825 op de plaats van een herberg met dezelfde naam, die tot aan de Revolutie als postrelais dienstdeed. Van 1862 tot het begin van de jaren 1980 was de passage eigendom van de Assistance public (de bijstand). Met plafonds van ruim 11 m hoog is het een van de hoogste passages van de Franse hoofdstad. Ze loopt door in de passage du Bourg-I’Abbé (op nr. 120 van de rue Saint-Denis), ondanks enkele winkels een vrij trieste bedoening. Vooral de duiven hebben het hier naar hun zin. Jammer. In de rue Palestro zie je op nr. 3 twee zeer vrouwelijke monumentale beelden. ‘s Nachts is de passage gesloten.

* Via de rue Palestra, ter hoogte van nr. 21, bereik je de passage de la Trinité, het enige overblijfsel van het oude höpital de la Trinité en van de kerk die er stond tot in 1817. Sinds in Parijs de openbare toiletten zijn afgeschaft, weten de wandelaars van de rue Saint-Denis dit steegje te vinden. De goot bewijst hier dan ook goede diensten. ‘s Nachts is dit een luguber steegje: een echt moord hol. Als je op nr. 164, rue Saint-Denis buitenkomt, boezemen de lichtjes van de seksshops vertrouwen in.

* Passage Basfour, ter hoogte van nr. 178, rue Saint-Denis, is een heel oud 13de eeuws steegje dat grensde aan het oude höpital de la Trinité.
Je komt uit aan de rue de Palestro (nr. 27), tegenover de rue de Réaumur. Op de hoek van de rue de Réaumur en de rue Saint-Denis hangt een zeer mooi horloge in keramiek. Let ook op de architectuur anno 1900 van de Monoprix, de winkel die de hoek vormt met de boulevard Sébastopol, voor je doorstoot naar de rue de Ponceau. Die straat heeft nog altijd een kwalijke reputatie. Op een goeie morgen vond men hier het lijk van een beroemde kardinaal. Geen gedenkplaat aan de muur! Wat had die brave man hier immers te zoeken?

* Rue du Caire: na de expedities van Bonaparte in 1798, kreeg heel de wijk Egyptische namen. Hier bevond zich in de 17de eeuw de beroemde cour des Miracles die zijn miraculeuze naam te danken had aan het wondere feit dat ‘s avonds ‘de blinden plots weer konden zien … en de kreupelen er opnieuw konden lopen’. Echt gebeurd. Victor Hugo deed er nog een schepje bovenop toen hij, in zijn roman Notre-Dame de Paris, het gebeuren in de Middeleeuwen situeerde. In de cour des Miracles vond je een allegaartje van valse bedelaars, jatmozen, zakkenrollers, echte en val?se blinden, nepkreupelen. deserteurs en meisjes van plezier … Deze heffe des volks verkoos een koning en een koningin die de bijnamen van Rolin- Trapu en Catin BonBec kregen. Voor een heiligenbeeld dat gestolen was in een kerk, stond een teil. De bedelaars waren verplicht in het voorbijgaan er een muntstuk in te werpen. Vandaar de uitdrukking cracher au bassin et (in het teiltje spuwen), wat zoveel betekent als ‘tegen zijn zin moeten afdokken’.
Een razzia van politieluitenant La Reynie maakte in 1668 in amper 24 uur tijd korte metten met de cour des Mimcles en zijn zootje ongeregeld. Hij beloofde aan de zes overblijvende bedelaars dat ze ter plekke zouden worden opgehangen. Bonne Nouvelle, riepen de brave burgers, en hieraan dankt de wijk nog altijd haar naam.

* Place du Caire: Metro: Sentier. Hier begint de Sentier, het rijk van de prët-à-porter. Razend druk overdag, leeg en verlaten in het weekend en ‘s nachts. Hier vind je de mooiste ingang van de passage du Caire (opgelet, zondag gesloten). Omzoomd door een Egyptisch ogend gebouw, versierd met nep hiërogliefen en belachelijke muurschilderingen en zuilen, tot in het café. Origineel, dat wel. Vooral als je weet dat hier ooit een klooster was gevestigd. In de 19de eeuw was dit de buurt van de drukkers en de fabrikanten van strohoeden. De passage zelf is een opeenvolging van concurrerende groothandels in een wirwar van gangen die uitkomen op de place en de rue de Caire, de rue Alexandrie en de rue Saint-Denis. Leuk voor wie graag weet welke modetrends er aankomen. Voor detailverkoop moetje hier niet zijn. Wat je hier wel kunt kopen, zijn klerenstandaards of etalagepoppen. Er zijn ook enkele winkels met spullen voor winkelinrichting. Wie graag met stof en leder knutselt, vindt in de vuilnisbakken van de wijk en van de rue Saint-Denis vast iets naar zijn gading.

* Enkele meters verderop, op nr. 212, heb je de passage du Ponceau. Aan de ingang links, aan het eind van de straat, ligt de porte Saint-Denis, de vroegere hoofdtoegang tot de stad. Tussen enkele oninteressante restaurantjes ligt de tempel van de damesschoenen.
Uitgang aan de boulevard Sébastopol en een korte wandeling tot op nr. ’35.

– Je duwt het grote hek open en staat in de passage Lemoine. Je komt uit op nr. 230, in de rue Saint-Denis. Gebarsten muren, zijde Saint-Denis, elektriciteitsdraden die van de daken naar beneden hangen … Je kunt de passage ook bereiken (als de poort tenminste open is) via de bd Sébastopol nr. 131, herkenbaar aan de twee cherubijnen aan de ingang. Je loopt door een mooi oud gebouw uit de 18de eeuw, het hötel de Saint-Chaumond (gebogen ramen, consoles in rocaille, gewelfde balkons). Er huist onder meer een groothandelszaak in kleding. Je komt ook langs enkele oude binnenplaatsen met losliggende stenen (niets voor hoge hakken).

– Bijna recht er tegenover, op nr. 261, heb je de passage Sainte-Foy. Het is een bizarre, onbehaaglijk stemmende doorgang, waar je vriendelijke dames ontmoet die graag enkele ervaringen met je willen delen … Ook dat is Parijs! Na veel trappen en bochten kom je uiteindelijk uit bij nr. 14, rue Sainte-Foy. Aan de overkant, op nr. 13, leidt een passaqe-tabac naar de rue d’Aboukir.

* Daarna neem je de rue de Cléry. Op nr. 87 vind je het kleinste straatje van Parijs, de rue des Degrés: 5 m lang, geen rijweg, geen stoep, geen huisnummers en alleen blinde ramen. Eigenlijk is dit straatje gewoon een trap met veertien treden. Op de hoek (boven aan de trap) met de rue Beauregard (op nr. 52) hangt een plaatje dat herinnert aan de mislukte ontvoering van Lodewijk XVI door baron de Batz op 2′ januari 1793.

* In de verte zie je een helling die naar de boulevard Saint-Denis loopt. Het verhoogde deel is te wijten aan de ophoping voor de aanleg van de oude omwalling. In het supersmalle huis tussen de rue Beauregard en de rue de Cléry woonde de dichter André Chénier. De straat die op dit kruispunt uitkomt, is naar hem genoemd.