Onvergankelijke Grandeur

Archeologen hebben in de laatste twee eeuwen juwelen, vazen, meubels, halskettingen, bijlen, dolken, statuettes en vele andere kunstvoorwerpen opgegraven, die ons in staat stellen de beslissende fasen in de ontwikkeling van Parijs te reconstrueren. Het legendarische Romeinse oppidum heeft veel van zijn geheimen prijsgegeven: de ligging van de belangrijkste straten, de funderingen van het forum, de overblijfselen van het capitolium, het theater en de arena.

In de wijk la Salpêtrière in het 13e arrondissement bracht de bouw van een ondergrondse parkeergarage een neolithisch dorp aan het licht, nadat eerder al een aantal houten kano’s en 250 vazen uit de Bronstijd gevonden waren. Opgravingen aan de Rue Pierre-et-Matie Curie ontrafelden de geheimen van een Gallo- Romeinse oven die bijna intact gevonden werd. Van onder de Notre- Dame kwamen gedeeltelijk de pilaren van de Tiberiustempel te voorschijn, die het gilde van de Seine-schippers in het midden van de Ie eeuw v.C. had laten oprichten. Opgravingen her en der in het Quartier Latin droegen er het hunne toe bij het beeld van het oude Lutetia te completeren, het Gallo- Romeinse dorp dat gebouwd was op de overblijfselen van het primitieve dorp dat bewoond werd door de stam der Parisii. In het jaar 52 v.c. verscheen vlak bij deze nederzetting, die bestond uit eenvoudige hutten op een eiland in het midden van de Seine, een van Julius Caesars centuriones om de Galliër Camulogenus uit te dagen. Het gevolg was een grootschalige oorlog die leidde tot de vernietiging van de Galliërs. Vervolgens werd de Romeinse nederzetting Lutetia gebouwd op de overblijfselen van het oude dorp op het wigvormige eiland, dat we tegenwoordig kennen onder de naam Ile de la Cité. De hoofdas verliep ongeveer langs de lijn die nu de Rue Saint-Iacques volgt en de via decumana voerde waarschijnlijk direct naar de boten die aan de oevers van de Seine afgemeerd lagen. Dit betekende in alle opzichten het geboorte uur van Parijs. “Het grindstrand van dat eiland was de eerste stadswal, de Seine haar eerste vestinggracht”, schreef Victor Hugo in NotreDame de Paris. Hij voegde daaraan toe: “Gedurende een aantal eeuwen bleef Parijs een eiland, met twee bruggen, een in het noorden, de ander in het zuiden, en twee bruggenhoofden die tegelijk dienst deden als haven en als fort, het GrandChátelet op de rechter- en het Petit-Chätelet op de linkeroever. Daarna, ten tijde van de eerste koningsdynastie, besloot Parijs de rivier over te steken, omdat het zich belemmerd voelde op zijn eiland, waar geen bewegingsruimte meer was. Buiten het kleine en grote Chätelet omsloot een eerste stenen muur met torens stukken platteland aan weerszijden van de Seine … stukje bij beetje sloeg de vloed van huizen, opgehoest door het centrum van de stad, bressen in die eerste muur, ondergroef en slechtte hem.” De opeenvolging van burgeroorlogen en barbaarse invallen weerhield Rome er niet van deze contreien en grote delen van Frankrijk eeuwenlang in zijn greep te houden. De legende wil dat in het jaar 250 de eerste bisschop Sain’t – Denis een martelaarsdood stierf op de heuvel die later als Montmartre bekend zou worden. Desondanks verspreidde het christendom zich onder de kleine gemeenschap. Vanaf 275 betekende de bedreiging door barbaarse invasies een zware beproeving voor de verdedigingswerken van het oppidum. In de 4e eeuw werd de inmiddels al dichtbevolkte vestingstad beschermd door een hier afgemeerde vloot van Romeinse schepen, een klein maar goed bewapend garnizoen en zware stadsmuren. Eeuwenlang werden de huizen steeds hoger gebouwd en de straten werden steeds nauwer, gevangen als ze waren in een kring van machtige hoge torens. Dit stelde de stad in staat hardnekkig weerstand te bieden aan de belegering door Attila de Hun, daarbij geholpen door de goddelijk geïnspireerde tussenkomst van de jonge Geneviève, die de benarde bevolking tot gebed wist over te halen. Als door een wonder maakte Attila rechtsomkeert en trok met zijn leger weg in zuidelijke richting. Parijs, zoals Lutetia inmiddels al genoemd werd, was gered. Geneviève werd later gecanoniseerd en tot beschermheilige van de stad verklaard. Een rank beeld in bleek marmer dat haar voorstelt, beheerst nog steeds de Pont de la Tournelle. 

img6

Op veel plaatsen in Parijs zijn sporen gevonden van het oude Romeinse oppidum met de hoofdweg, de cardum, en de via decumana, die  Waarschijnlijk direct naar de boten voerde die aan de oevers van de Seine afgemeerd lagen. Uit het archeologisch onderzoek is goed te reconstrueren welke ontwikkeling Parijs heeft doorgemaakt: van een neolithisch dorpje tot de glorieuze Ville Lurnière, Na iedere opgraving konden er nieuwe bladzijden aan de eeuwenoude geschiedenis worden toegevoegd, Om welk arrondissement het ook gaat, elke bouwput biedt de gelegenheid voor een reis door de tijd,

Aan het eind van de 4e eeuw raakte de geschiedenis van de Salische Franken verstrengeld met die van Gallië. Clovis, die bij Soissons de troepen van het Romeinse Keizerrijk verslagen had, werd koning van Gallië. Hij trouwde met de christelijke Clotilde, die hem en zijn leger overhaalde zich tot haar geloof te bekeren. In 508 werd hij in Reims gekroond als koning der Franken (aan wie de naam van het land ontleend is), waarna hij de hoofdstad van zijn koninkrijk verplaatste naar de oevers van de Seine. In deze periode was Parijs bezaaid met half afgebouwde kerken: op de linkeroever stonden er negen in de steigers, op de rechter drie. Clavis beval de bouw van een kerk gewijd aan de Apostelen, waarin hij zelf begraven wilde worden en waar enige tijd daarna eveneens de stoffelijke resten van Geneviève begraven werden. Een van zijn zonen, Childebert, die 47 jaar lang zou regeren, gaf opdracht tot de bouw van een immense basilica op dezelfde oever, de grootste van Merovingisch Gallië, en tot die van een andere kerk, die de beenderen van St. Germain, de bisschop van Parijs aan het eind van de 6e eeuw, zou herbergen. Op de fundamenten van deze laatste kerk zou later de abclij van Saint Germain-des-Prés gebouwd worden. De Merovingers veroverden bijna geheel Romeins Gallië, maar tegen het begin van de 7e eeuw leidden maatschappelijke wanorde, het ongeregelde leven aan het hof, het gebrek aan een politieke strategie, de deling van het koningschap en onderlinge twisten in het koningshuis tot het verval van de dynastie en de opkomst van Pippijn de Korte en de Karolingen. In 751 werd de laatste Merovingische koning Childeric III afgezet door Pippijn, die zelf de koningstitel aannam. Toen zijn zoon Karel de Grote de troon besteeg, maakte hij Rome en Aken tot hoofdsteden, zodat hij nauwelijks in Parijs geresideerd heeft. Zware tijden wachtten de stad toen de laatste Karolinger haar verliet. In de ge eeuw werd Parijs geplunderd door vrij buitende Noormannen. De buitenwijken werden verwoest en toen de Parijzenaars zich terugtrokken binnen de muren van de Cité verdwenen de laatste sporen van het Romeinse oppidum.

 img5

Een 15e eeuwse gravure van de Ile de la Cité in de tijd van Karel de Grote In 987 verscheen Hugo Capet ten tonele, de stamvader van een nieuwe dynastie, en zo kon Parijs met zijn rijke abdijen, zijn jaarmarkt en kermissen aan de vooravond van zijn eerste millennium de rol van hoofdstad van het koninkrijk weer op zich nemen. Lodewijk VI de Dikke (1108-1137) resideerde in een paleis in La Cité, het oorspronkelijke eiland waar de gebouwen elkaar begonnen te verdringen. In 1163 gaf bisschop Maurice de Sully het startsein voor de bouw van de Notre-Dame op de plaats van de oude Merovingische kerk en in 1180 sloot Filips Augustus de stad opnieuw op binnen een nieuwe ring van versterkte muren met machtige hoge torens. Om het hoofd te bieden aan de aanvallen van de koning van Engeland bouwde hij het Louvre-fort, dat al gauw als koninklijke residentie dienst ging doen en nieuwe impulsen gaf aan Les Halles de Champeaux, de beroemde Parijse markt die ingesteld was door Lodewijk de Dikke en acht eeuwen lang op dezelfde plaats zou blijven. Bianca van Castilië, de vrouw van Filips Augustus, gaf opdracht tot de bouw van Sainte Chapelle. Binnen enkele decennia bleken zelfs de nieuwe muren te weinig ruimte te bieden aan de groei van de stad, die inmiddels bestond uit veertien parochies. Middeleeuws Parijs ontwikkelde zich op de rechteroever van de Seine en was een belangrijk knooppunt van de grote handelsroutes. Via de Rue St. – Denis arriveerden Vlaamse stoffen in de stad, graan via de Rue Saint-Honoré, vis uit Normandië en Bretagne via de Rue des Poissoniers. Op de Seine, voor alle waren de natuurlijkste en directste handelsroute, was het een komen en gaan van vrachtschepen en pakschuiten. “De huizen doorbraken de muur van Filips Augustus”, schreefVictor Hugo, “en verspreidden zich zorgeloos over de vlakte, zonder enige ordening of symmetrie, alsof ze uit een gevangenis ontsnapt waren. Eenmaal aangekomen paalden ze een tuin af in de vlakte en maakten het zich gemakkelijk.” De oorsprong van de Parijse buitenwijken ligt in deze periode. Ze kwamen voort uit de bebouwde omgeving rond de eerste stedelijke parochiekerken, zoals Saint-Germain I’Auxerrois, Saint-Merry, Saint- L’acques-la- Boucherie en Saint- Nicolas-des-Champs. De linkeroever daarentegen werd bijna geheel verlaten. De hellingen van de Genevièveheuvel kregen een agrarische bestemming en kwamen in het bezit van de monniken van grote abdijen als het nabijgelegen en al florerende Saint-Gerrnain-des- Prés. Onder Lodewijk IX werd de adel verzwakt door de kruistochten in het Heilige Land en tegen de Catharen. De universiteit, opgericht en erkend krachtens een pauselijke bul in 1209, uitgevaardigd door lnnocentius lIl, verzekerde de stad van internationaal aanzien als centrum van wetenschap. Bovendien stichtte Robert de Sorbon in 1257 een universiteit voor onderricht in theologie, recht, medicijnen en de kunsten, die zijn naam zou gaan dragen. Toen Karel V aan de macht kwam, liet hij de Bastille bouwen en stadsmuren aanleggen rond de nieuwe wijken op de rechteroever. Deze bleken echter op hun beurt weer een hindernis voor de aanhoudende snelle stadsuitbreiding en zo kon het gebeuren dat Parijs zich in de 15e eeuw uitstrekte tot ver buiten de concentrische ringen van de vestingwerken die sinds de tijden van Julianus de Afvallige geprobeerd hadden de stad binnen hun verdedigingslinies vast te leggen. In de 14e eeuw maakte Parijs moeilijke tijden door. In 1348 werd het getroffen door de pest, waardoor de bevolking met 200.000 zielen decimeerde. Nog erger was de strijd om de Franse troon tussen het huis Capet en de Engelse koning Edward III van de Plantagenet-dynastie, die de Honderdjarige Oorlog (13371453) tot gevolg had. Een geluk bij een ongeluk was dat de oorlog een einde maakte aan een reeks oproeren die uitgelokt waren door legendarische volksmenners als Simon Caboche en Capeluche en die in Parijs tussen 1413 en 1418 een klimaat van terreur geschapen hadden. Toen Karel VI overleed ontvluchtte de Dauphin en toekomstig koning Karel VII het gevaar van een opstand en nam de wijk naar Bourges. Dat betekende het begin van een periode in een gouden kooi, waarin de oevers van de Loire met hun sprookjesachtige kastelen tot centrum van het koninkrijk uitgroeiden. De dood van Karel VI was voor de Engelsen aanleiding in 1420 Parijs binnen te trekken, waar ze Hendrik VI van Engeland ondanks zijn prille leeftijd tot koning van Frankrijk uitriepen. Toen de Engelsen de overwinning onder handbereik hadden voegde een boerenmeisje, Jeanne d´Arc, zich bij het Franse leger en smeekte Karel VII in zijn schuilplaats bij Chinon aan het hoofd van zijn troepen uit te mogen rukken. Een wonder voltrok zich. De vijand werd in de pan gehakt en Karel VII trok in triomf Parijs binnen en werd tot koning gekroond. Jeanne d´Arc stierf op de brandstapel, beschuldigd van hekserij door de Engelse, die het Franse grondgebied uiteindelijk in 1453 verlieten. Parijs was in de 15e eeuw, zo schrijft Victor Hugo, “verdeeld in drie geheel verschillende en op zichzelf staande steden, eik met haar eigen vorm, karakter, gebruiken, tradities, privileges en geschiedenis: de Ciré, de Univcrsite en de Villc. Elk van deze drie delen was een stad, maar een stad die te uitgesproken was om compleet te zijn en het zonder de andere twee te kunnen stellen. Dus vertoonden ze alle drie individuele trekken. De Ciré was de stad van de kerken, de Villc van de paleizen, de Universire van de faculteiten … alsof men tot uitdrukking wilde brengen dat het eiland het domein van de bisschop was, de rechteroever van de handelaars en de linkeroever van de rector.” In de 15e eeuw stroomde de Seine langs vijf eilanden.