We noemen ‘passages’ en ‘galeries’ gemakshalve allebei ‘passages’ en dan doelen we op de overdekte passages. Er is echter wel degelijk een onderscheid: de passages zijn voor het volk en de galeries zijn voor ‘le beau monde’.

De bloeitijd van de passages loopt van het eind van de 18e eeuw tot de grote transformatie van Parijs in het midden van de 19e eeuw. De oudste overdekte passages zijn Passage Feydeau (afgebroken in 1824), Passage de Caire (1798) en Passage des Panoramas (1799). Ze waren van steen en hout en hadden eenvoudige vensters. Later werden de passages lichter van constructie en boden ze door het vele in gietijzer gevatte glas ook meer licht. Het waren lusthoven van intimiteit (prostitutie) en luxe, en in de winkeltjes waren de nieuwste snufjes te koop. Er waren zelfs literaire salons.

Passages